Lobbyisten in Den Haag
Aardig artikeltje in de Volkskrant, dat een impressie geeft van het werk van lobbyisten in Den Haag.
Het blijft echter bij een impressie, en dan nog een koddige ook. Niet verwonderlijk, want dat is de manier waarop er in Nederland wel vaker over lobbyisten in de politiek wordt gedacht: een bijverschijnsel, weinig nieuwswaardig, waar zo af en toe eens wat aandacht aan wordt besteed. Wat een verschil met de Verenigde Staten, waar de invloed van “special interests” op het politieke proces een lopend thema is waar voortdurend over wordt gedebatteerd. Sterker, als er één issue is waar elke politicus (en vooral Obama) zich op profileert, dan is het wel het bevechten van de “special interests” ten gunste van het publieke belang.
Het Amerikaanse systeem zit dan ook anders in elkaar: iedere volksvertegenwoordiger is een “policy entrepreneur” met een eigen rijkje en veel macht, waar zwermen lobbyisten op afkomen. In Nederland verloopt het politieke proces via partijen veel gecentraliseerder. Tegelijkertijd wordt er in wetgeving in de V.S. wel veel meer aandacht besteed aan het inzichtelijk maken en inperken van het lobbyen: vanaf de negentiende eeuw is er gebouwd aan een stelsel van wetgeving dat het bedrijven, vakbonden en de tienduizenden andersoortige belangengroepen in meer of minder mate verbiedt rechtstreeks geld of donaties aan politici te schenken; de tijd transparant maakt die een politicus doorbrengt met een lobbyist; het verplicht maakt giften openbaar te maken, enzovoort. Of het werkt is een tweede, maar er wordt tenminste over nagedacht, en door good government groepen als Common Cause stevig voor (jawel) gelobbyd.
En terecht: want in een systeem waarin de stem het mechanisme is waarmee invloed op beleid zou moeten worden bepaald, wringt het wanneer geld dit gaat doen.
In Nederland, echter, bijna niets van dit alles. Op de site van de Tweede Kamer kun je een openbaar register vinden met geschenken, reizen, nevenfuncties en andere inkomsten van Kamerleden sinds enkele jaren (zo kreeg Jeroen Dijsselbloem op 13 januari 2009 een das ter waarde van een tientje van Plan Nederland, en een cd van Coldplay voor zijn bijdrage aan een integratiedebat), maar dat is klein bier. Wetgeving die de financiering van politieke partijen openbaar zou moeten maken is er absurd genoeg nog steeds niet, waardoor het volstrekt onduidelijk is door wat voor bedrijven, organisaties of individuen politieke partijen in Nederland (mede)gefinancieerd worden. En van wetgeving die scherp zou moeten stellen hoe lobbyisten politici benaderen, met wie ze spreken, hoe vaak ze dat doen en hoeveel tijd ze daaraan kwijt zijn, zoals die in Amerika bestaat, hebben we hier nog nooit gehoord.
Wat er wel is, zijn lobbyseminars, een beroepsvereniging voor lobbyisten (met een lobbyhandvest), een lobbyblog en een lobbycongres.
En dan, tot slot, hebben we het alleen maar over de Tweede Kamer. Regering, fractiemedewerkers, ambtenaren en (semi)-publieke sector worden nog buiten beschouwing gelaten. Het wordt tijd, kortom, dat dit ondoorzichtige proces transparant gemaakt wordt. Want de invloed van lobbyisten op de Haagse politiek, en daarmee op wetgeving die voor iedereen geldend is, is iets waar nu slechts naar gegist kan worden.
Elke dinsdag, aan het begin van de parlementaire week, trekken ze met rolkoffers Den Haag binnen, op weg naar hun kantoor op Het Plein. Het zijn de lobbyisten die politici doordeweeks bewerken, die graag willen dat hún goede plannen tussen de oren van de Kamerleden komen.
Nu , tijdens de formatie, moeten ze oogsten, nu besluiten worden genomen over bezuinigingen voor de komende jaren. Waar vallen de klappen? Aan de lobbyist de taak te zorgen dat deze niet te hard bij zijn broodheer (belangenclub) aankomen.
Op het eerste gezicht zijn het dus topdagen voor lobbyisten. Nu moeten ze de onderhandelaars van VVD, CDA en PVV het laatste zetje geven om het ‘goede’ besluit te nemen, of het nu over provincies, waterschappen, gemeenten, de politie, de omroepen, het onderwijs, de vakbeweging, ondernemers – of wat dan ook gaat.
Dagelijks worden brieven van burgers en pressiegroepen afgeleverd bij de informateur; de teller staat nu op 347. Ter vergelijking: in 2007 kwamen er 488 binnen en in 2003 waren dat er 553. Ze komen van professionele lobbyisten als de energieclubs, van gemeenten en van enkele bezorgde burgers. Van een van die laatsten werd de brief onder het kopje ‘sollicitatie’ gearchiveerd.
(…)
Veel brieven blijven ongelezen. Een enkele keer trekt een onderhandelaar een brief uit de stapel op een bureau bij de informateur. Maar meestal is een club die het van een briefje moet hebben al te laat. Een beetje lobbyist heeft jaren gewerkt aan relaties in de politiek. ‘Een kwestie van delen’, zeggen Kamerleden en lobbyisten.
Nieuwe parlementariërs krijgen vaak een portefeuille waarvan ze weinig tot niets afweten. Ze hebben informatie nodig, weet de lobbyist – en deze is natuurlijk bereid wat kennis ‘te delen’. Immers: de politicus wil graag ‘met een leuk dingetje scoren’, en daar helpt een lobbyist wat graag aan mee.
Het is onduidelijk hoeveel lobbyisten in Den Haag rondzwermen, maar ze zitten overal. Op Het Plein, cirkelend rond politici op het terras; in sociëteit Nieuwspoort, het etablissement voor journalisten en politici; en in de wandelgangen van het parlement. Alleen de burelen van de SP en de PVV zijn soms moeilijk te bereiken.
Een goede lobbyist werkt aan ‘mooie, langdurige’ relaties, wordt gezegd. ‘Het moet zo zijn dat als ik nu bel, ze de telefoon aannemen omdat ze zien dat ik het ben.’ Maar inderdaad, soms komt een opdrachtgever gewoon niet tussen de oren. Niet ongebruikelijk is het om dan een oudere of gehandicapte een ‘burgerbriefje’ te laten schrijven.











